In 1972 had ik mijn eerste optreden als pianist solo tijdens een huwelijksfeest van vrienden in Sneek. Ik studeerde toen nog Engels aan de RuG en moest rondkomen van een renteloos voorschot (nu studielening). Ik had al wat repertoire verzameld in de loop van de tijd en dit leek me een handige manier om af en toe wat bij te verdienen. In de jaren zeventig stonden er in de meeste horecabedrijven meestal wel goed onderhouden piano’s en vooral in de wat chiquere zaken waren die een vast onderdeel van het meubilair. Ook had ik al visitekaartjes laten drukken.

Een van de eerste zaken waar ik regelmatig werd gevraagd om te komen spelen, was Auberge St. Hubert in Wehe-Den Hoorn. Aan meneer en mevrouw Van Goinga, die het bedrijf toen beheerden, bewaar ik goede herinneringen. Op drukke dagen zoals tijdens de kerst was er altijd aan het eind van de avond een uitgebreide maaltijd met het hele personeel: de kelners, de koks, de afwassers en de pianist, niemand uitgezonderd. Omdat het een van mijn eerste ervaringen was in de horeca, dacht ik dat dit overal in de horeca usance was. Later bleek dat zulke gezamenlijke soupers uitzonderlijk waren, want daarna heb ik dit nooit meer zo meegemaakt. Auberge St. Hubert is in 1991 verwoest door een brand, maar toen zat het echtpaar Van Goinga er al niet meer op.
De laatste barpianist van Groningen
In de zomer van 1974 kreeg ik voor twee maanden een klus als barpianist in nachtclub De Commodore. Dit was een nachtzaak aan de Oosterstraat in Groningen die 22.00 tot 04.00 geopend was. Het was het soort nachtclub dat waarschijnlijk ooit, vermoedelijk eind jaren vijftig, betere tijden had gekend, want ik er heb eigenlijk nooit veel klandizie gezien. Het was een lange pijpenla met een bar. Achterin het pand was nog een tweede bar in de vorm van een sloep en andere verwijzingen naar de romantiek van het zeemansleven, zoals reddingsboeien en visnetten. Maar die bar was al niet meer in gebruik, want daar brandde nooit licht. Als je naar het toilet moest, kwam je er langs. Alles wees erop, dat dit een aflopende zaak was.
Veel contact met de uitbater had ik niet. Ik had mezelf voorgenomen om tijdens het werk daar geen druppel alcohol te drinken, dus dat schiep ook al geen band met de horecabaas en de portier.
Tot een uur of een waren wij drieën meestal de enige aanwezigen.

Joop van Diest achter de bar in De Commodore
Al met al was het een doodsaaie klus, al leek het voor de buitenstaander misschien een spannend avontuur in het Groninger nachtleven. Ik kon natuurlijk wel aan mijn repertoire werken in die late uren, en dat deed ik ook. Eigenlijk was het een grote betaalde repetitie. Achteraf bleek het mijn eerste en meteen laatste klus als barpianist te zijn geweest. Misschien was ik wel de allerlaatste van dat uitstervende ras in Groningen. Want daarna heb ik nooit meer ergens iemand in z‘n eentje als barpianist zien spelen of gehoord over zo’n collega. Toch uniek om mee te maken. Een paar maanden nadat ik er had gewerkt, werd De Commodore gesloten - voor altijd. Zaken die bezig zijn te verdwijnen, zien er meestal niet op hun fraaist uit. Het besef dat je daarvan getuige bent geweest, dringt pas later tot je door. Dan worden die indrukken bij andere herinneringen opgeteld en vaak een beetje mooier gemaakt.

Achter de vleugel in het koetshuis van de Ennemaborg
Beschaafd en ingetogen
In het koetshuis van de Ennemaborg in Midwolda was een restaurant gevestigd waar de familie Runhardt de scepter zwaaide. Ook in deze zaak heb ik geregeld solo gewerkt.
De ambiance en de sfeer van de diners en recepties waarvoor ik als pianist werd gevraagd, vielen meestal onder de noemer beschaafd en ingetogen. Dat is op zo’n feest precies de bedoeling en dan zit je als pianist - zonder zang, bas, drums of ander versterkt geluid - op de goede plek. Het publiek vermaakt zichzelf met conversatie of toespraken en heeft geen behoefte aan opgedrongen entertainment. De piano vult de stiltes op en het volume van de muziek is niet storend.
Mijn repertoire probeerde ik altijd zo gevarieerd mogelijk samen te stellen. Musicalsongs uit bijvoorbeeld My Fair Lady en West Side Story, romantische popsongs, kleinkunstliedjes, Franse chansons, jazzballads, operette en licht klassiek.
Soms moest ik een liedje begeleiden dat speciaal voor de jubilaris of het bruidspaar was geschreven, meestal op een bekende melodie. Dus dan werd er een beroep gedaan op mijn improvisatievermogen en probeerde ik het ad hoc koor, dat vaak pas op het feest zelf de tekst voor het eerst zag, zo goed mogelijk in het gareel te houden.
Meestal duurde zo‘n avond vier uur, van acht tot twaalf, maar ik heb ook wel eens zes uur achter elkaar zitten spelen. Van pijn in handen of armspieren heb ik nooit last gehad, in tegenstelling tot veel van mijn medestudenten op het conservatorium. Daar werd heel wat afgetobd en geklaagd over allerlei kwaaltjes, waarmee ik tot op de dag van vandaag nooit ben geconfronteerd.
Corpsbal
In 1976 was ik een paar dagen bij mijn ouders in Enschede geweest. Mijn moeder had mijn oude kledingkast uitgeruimd: “Neem dit maar mee naar Groningen, dan kun je het misschien nog eens dragen, als je ergens netjes voor de dag moet komen.” Het waren kleren die ik rond mijn zeventiende wel eens had gedragen: een blauwe blazer, een grijze Terlenka broek en een geruite stropdas. De perfecte outfit voor een corpsbal, vandaar dat ik die combinatie nooit meer had gedragen.
Toen ik weer in Groningen was, bleek dat die kleding mij nog steeds paste.

Als zeventienjarige corpsbal
Diezelfde dag ‘s avonds had ik een optreden als solopianist in de Coendersborg in Groningen voor een feest van de rechtenfaculteit. Hoe ik er precies opkwam, weet ik niet meer, maar ik kreeg de inval om mezelf daar als corpsbal voor te doen. Het kostuum van de corpsbal hing toch al voor mijn neus. Ook was ik kort daarvoor bij de kapper geweest, corpsballen met lang haar kwamen toen nog niet voor. En ik had al eens voor de gein zo’n aardappel in mijn keel opgezet - later zou ik er in mijn theaterperiode nog succes mee hebben in de Friestalige programma‘s van cabaretier Rients Gratama.
Ik was benieuwd of de signalen die je op die manier uitzendt, zouden worden opgepikt door mensen die zichzelf tot zo’n subcultuur rekenen. En of dat werkte! Ik sprak die avond met mensen met wie ik normaal nooit contact zou hebben gehad. Ik maakte mijn verhaal iets geloofwaardiger door te vertellen dat ik een tandheelkundestudent was, die er als pianist wat bijverdiende “omdat de toelage van pa niet kon voorzien in mijn behoeftes als bon vivant.” Alom begrip en ik had de lachers op m’n hand.
Mijn voorgevoel werd bevestigd dat je maar weinig moeite hoeft te doen om geaccepteerd te worden binnen de corporale wereld. Nou is het uitzenden van signalen door middel van kleding en accent natuurlijk niet iets dat zich beperkt tot de corpsmores. We doen dat allemaal in meer of mindere mate, maar bij die kakkers ligt het er wel erg dik bovenop.
Na afloop van de schnabbel ging ik, nog steeds in hetzelfde kostuum, wat drinken in het centrum en kwam ik uiteindelijk terecht in C’est Ca, toen een gerenommeerde nachtclub waar je ook tot diep in de nacht kon eten. Sommige mensen herkenden me nauwelijks in mijn blazer en ik zag heel wat verwonderde blikken van mensen die mij nog nooit zo hadden gezien.
Uit een Friestalig theaterprogramma van Rients Gratama waarin ik als corpsbal figureer
Pechvogel
Uiteindelijk besloot ik om naar huis te gaan en een taxi te nemen vanaf het Zuiderdiep, waar toen een taxistandplaats was. Daar liep een jongen me huilend tegemoet: “Jij bent zeker ook van het corps”, bracht hij snikkend uit, “Mijn fiets is gestolen, m’n enkel is verstuikt, ik moet nog helemaal naar Vinkhuizen (een buitenwijk) en voor een taxi heb ik niet genoeg geld bij me.”
In vlaag van menslievendheid vroeg ik aan de taxichauffeur, bij wie ik net zou instappen, hoeveel een ritje naar Vinkhuizen zou kosten. “Vijf gulden, meneer.” Ik gaf hem het geld en vlak voordat de pechvogel instapte, zei hij: “Geef me je adres, want ik wil je het geld zeker teruggeven.” Ik gaf hem mijn adres, maar bedacht meteen dat daar waarschijnlijk niets van terecht zou komen.
Een paar dagen later werd er aangebeld en daar stond de pechvogel, die zich voorstelde als Berend, met een briefje van vijf in de hand. Ik liet hem binnen en legde hem even later uit dat ik helemaal niets met het corps van doen had, en dat die verkleedpartij van me een grote practical joke was geweest. Tot mijn verbazing leek hij eerder opgelucht dan teleurgesteld door deze onthulling. Berend begon te vertellen over zijn achtergrond en familie. Zijn vader, broers, ooms en neven waren allemaal lid van het corps geweest. Dus toen hij in Groningen antropologie ging studeren, had hij gewoon geen andere keus dan zich ook bij het corps te melden. Door de studiekeuze voor antropologie viel hij toch al buiten de gangbare paden, maar geen lid van het corps worden was ondenkbaar voor iemand uit zijn kringen.
Hij was blij verrast te horen dat ik op het conservatorium zat, want hij hield zelf veel van muziek en zong graag. Of hij misschien nog eens langs mocht komen en of ik hem dan wilde begeleiden? Hij is daarna nog een paar keer langs geweest en ik heb hem ook weleens begeleid, want hij had inderdaad een mooie zangstem.
In die periode kwam ik af en toe in The Duke; dat was een homobar, maar hetero’s waren er net zo goed welkom. Ik heb zelfs een poosje gescharreld met een vriendin die ik daar had leren kennen.
Toen ik weer eens in The Duke zat, herkende ik Berend verderop aan de bar. Hij zag me ook en kwam meteen enthousiast op me af: “Goh, jij hier, dat had ik niet verwacht.” Ik begon meteen uit te leggen dat ik daar niet zat met dezelfde verwachtingen als de meeste andere bezoekers. Hij bekende me dat hij die nacht aan het Zuiderdiep mij er zo schattig vond uitzien in m’n blauwe blazer. Maar hij had ook wel gevoeld, dat ik niet van de herenliefde was. Met die ontmoeting in The Duke is het contact met Berend opgehouden; ik heb hem nooit meer gezien. Toch heb ik nog vaak aan hem moeten denken. Als je tegen je zin lid bent van het corps, en daar ook nog je homoseksualiteit moet verbergen, dan heb je het niet makkelijk. Ook frappant dat mijn sociale experiment met een verkleedpartij uitgerekend zo’n ontmoeting opleverde. Ik hoop dat het leven voor Berend uiteindelijk wat lichter is geworden, want doorgaan op dezelfde voet leek me een onmogelijk zware opgave.
(Om privacy redenen is de naam Berend een pseudoniem.)

De spirituele invulling
Een van de horecazaken waar ik regelmatig werkte, was Lauswolt in Beetsterzwaag, Friesland. Vooral voor de Gasunie heb ik veel gespeeld tijdens diners daar. In Lauswolt stond altijd een goed onderhouden en gestemde vleugel voor me klaar, iets wat niet overal vanzelfsprekend was. Commissaris van de Koningin in Groningen was toen de legendarische Henk Vonhoff. Deze verzuimde nooit aan het eind van de avond mij uitgebreid te bedanken voor het verzorgen van de “spirituele invulling van deze feestelijke bijeenkomst.” Dan kreeg ik een klein ingetogen applausje van de aanwezige notabelen. Zo’n blijk van waardering aan het eind van de avond is genoeg. Je verwacht geen lang en klaterend applaus, zoals je dat na een voorstelling in het theater krijgt. Het publiek komt niet voor jou, maar heeft een andere reden om daar te zijn. Wat je toevoegt met je pianospel is niet meer dan sfeer, maar moet wel passen in de ambiance en bij de smaak van het publiek.
Omstandigheden
De omstandigheden waarin ik als pianist moest werken, waren niet altijd zo ideaal als in Lauswolt en ze maakten soms het spelen praktisch onmogelijk.
Een paar voorbeelden:
• Spelen op een valse vleugel, waarschijnlijk met een fikse scheur in de klankbodem, waardoor alles hopeloos klonk, wat ik ook deed. Het optreden was ‘s middags en die vleugel stond ook nog in de felle zon voor de ramen. Ik speelde veel liever op een gehuurde piano, want die werden tenminste goed onderhouden en regelmatig gestemd. Er waren maar bar weinig horecazaken die hun piano’s goed onderhielden.
• Spelen op een groot feest in een theater waar in iedere zaal ander amusement werd geboden voor het personeel van een jubilerende bank. Ik was ingehuurd om in een bovenzaal rustige pianomuziek te spelen voor de wat oudere feestgangers. In de zaal daaronder was een DJ geïnstalleerd waarvan de bassen (met subwoofers!) dwars door de vloer heen bonkten. Ik heb tevergeefs geprobeerd er tegenin te spelen, heb gevraagd of het beneden misschien wat zachter kon - waar eventjes gehoor aan werd gegeven - en toen het daarna toch weer harder werd, ben ik uiteindelijk gewoon weggegaan. De maandag daarop werd ik gebeld door een woedende eventmanager die totaal geen begrip voor de onmogelijke situatie toonde en steeds maar herhaalde dat ik natuurlijk kon fluiten naar m’n gage, wat ik allang had ingecalculeerd toen ik besloot te vertrekken.
• Spelen op een party bij mensen met een groot huis die hadden bedacht dat ik het beste in de vestibule kon spelen, want dan was de piano hoorbaar in alle andere vertrekken. Ze hadden hem er ook alvast naartoe gesleept, waardoor ik geen keus meer had. Die gang was inderdaad net breed genoeg voor de piano, maar omdat alles betegeld was, kreeg ik akoestisch gezien de volle laag in die holle hal. Ook zat ik daar vier uur lang alleen op die gang te spelen en had ik totaal geen contact met het publiek.
Beperkingen
Een piano is een mooi instrument, maar kent ook zijn beperkingen. Er zit geen ritmebox ingebouwd, geen orgel, geen blazers, geen echo of galm en vooral: ik ben geen zanger en heb ook geen geluidsinstallatie bij me. Ik kan dus niet de sfeer van rock of disco met veel decibellen oproepen. Het klinkt misschien als een open deur, maar ik heb toch vaak ervaren dat dit inzicht voor heel wat mensen niet zo voor de hand ligt.
De reacties die ik dan soms kreeg, spreken voor zichzelf:
“Hé chauffeur, straks effe een ander moppie” en dat vanaf het andere eind van de zaal naar me toe geschreeuwd.
“Speelt u ook wel eens wat anders?“
”Wij dachten dat het hier feest zou zijn.”
“Na de pauze willen we hele andere muziek.”
“Nu graag iets van de Stones waar we op kunnen swingen.”
Dan zat ik verkeerd, maar op dat moment was er niets meer aan te doen. De mensen zaten met mij opgescheept en ik met hen. Ik zag sommigen denken ’wat een waardeloze muzikant‘ en anderen werden zelfs echt boos. Toen ik eenmaal een website had en ook vooraf cd’s kon sturen, is het wel beter geworden. En gelukkig was dit werk als pianist-entertainer maar een klein onderdeel van mijn bezigheden: in het theater, voor de omroepen en vooral met de vele formaties waarin ik heb gespeeld. Dan was ik veel minder kwetsbaar, omdat mensen een band of een orkest niet zo makkelijk durven te benaderen op de manier waarop ze dat doen bij een pianist alleen.